De afgelopen drie weekenden bracht ik met mijn gezin op de camping door. Een geweldige plek om verschillende opvoedstijlen in praktijk te zien. Fascinerend om de interactie tussen ouders en kinderen te observeren. Dit jaar besloot ik te turven hoe vaak ik de zin “Dat mag niet” zou horen.

Slaan, krijsen, weglopen. Het gebeurde allemaal op ons tentenveld. Een kind dat niet aan tafel bleef zitten. Een jongetje dat andere kinderen zand in het gezicht gooide. Een kleuter die zijn moeder in het gezicht sloeg. Een meisje dat niet ingesmeerd wilde met zonnebrand. Alle ouders krijgen er vroeg of laat mee te maken: heftige weerstand van je kind. Ik vind het zelf een van de lastigste uitingen om mee om te gaan. Een kind wil iets en jij wil het niet, of andersom. Met name als je kind iets doet wat je niet fijn vind ligt het op je lippen om te zeggen: “Dat mag niet.”

Telkens vraag ik me af welk effect deze uitspraak heeft op zo’n kind. Wat zou het kind denken? ‘Het’ mag niet. Wat mag er dan precies niet? Nu niet? Nooit niet? En wat als nu niemand het ziet, mag ‘het’ dan wel? Getuige de vraag die het kind vaak stelt: “Van wie niet?” vermoed ik dat het voor het kind ook niet zo heel duidelijk is. Bovendien is het op verschillende manieren uit te leggen.

Het mag niet. Iedereen weet dat het belangrijk is om zo concreet mogelijk aan te geven welk gedrag je vervelend vind. ‘Het’ mag niet, is vrij onbepaald. Benoem welk gedrag je niet prettig vind. “Ik vind het vervelend als je tegen me schreeuwt.” of “Ik wil graag dat je de schaar neerlegt als ik je dat vraag.”

Niet nieten. Ons brein registreert het woord ‘niet’ niet. Ja, natuurlijk horen we het wel, maar we doen er niets mee. Voorbeeld: denk niet aan een roze olifant… en poef! daar is ie :-) Als je dit op kinderen toepast, dan gehoorzamen kinderen als jij zegt: “Niet gillen” alleen aan het laatste woord. Ditzelfde geldt voor “Doe niet zo druk” of voor “Ga niet op die bloemen staan.” Wat dus resulteert in een gillend kind dat als een dolle door je prachtige bloemperk holt.

Dit onderwerp behandel ik ook tijdens de populaire lezing  Grenzen en regels. “Maar hoe moet het dan?” is zo’n beetje de meest gestelde vraag op die avond.

Benoem wat je wíl. Je kind is eerder geneigd gehoor te geven aan opdrachten in termen van gewenst gedrag. Vertel je kind dus wat je graag wil dat hij doet. Opdrachten zoals “Praat maar wat zachter.” en “Beweeg eens wat langzamer” en “Rennen mag op het gras” zullen dus de schade aan je tuin flink beperken. Kinderen die elkaar slaan kan je toespreken door te zeggen: “Los het eens met woorden op.” En drammen, eisen en dwingen benoem je als volgt: “Vraag het maar vriendelijk.” Klinkt simpel, maar is het niet.

Soms gaat het mis. Niet ‘nieten’ is vreselijk moeilijk. Er zijn momenten dat je gewoon geen idee hebt over hoe je het dan moet formuleren. Zeg in zo’n geval liever: “Ik wil het niet”. Het woord ‘willen’ komt veel krachtigere over dan het woord ‘mogen’. Bovendien kan je kind de vraag niet pareren, door je te vragen: “Van wie mag het niet?”

De score. Alles bij elkaar hebben we 11 dagen op de camping doorgebracht. Nieuwsgierig hoe vaak ik de zin “Dat mag niet” geturfd heb? Om precies te zijn 41 keer. Dat vond ik een behoorlijke score. Opvallend was dat met name in de avond, als de kinderen moe en hangerig werden, ik het vaker hoorde. En o ja… 4 keer daarvan was ikzelf degene die de zin uitsprak, want ook bij mij gaat het nog regelmatig mis.